Dat doot de deure too (Dat doet de deur dicht)

Toen ze het veldje opreden keek moeder bezorgd. Het terrein was nauwelijks groter dan een half voetbalveld, zat vol kuilen en kale plekken en was omringd door een aantal gammele koeienstallen. In een hoek stond een oude caravan die al in geen tien jaar was schoongemaakt en helemaal aan de andere kant, vlak bij de stal, rukte een woedend blaffende herdershond met blikkerende tanden aan een ketting.

“Jjaaa…”aarzelde vader. “Dit is het juiste adres. Camping de Zonnebloem.”

De familie Reintjes was die morgen al vroeg uit Gouda vertrokken voor hun kampeervakantie.

Diederik en Boudewijn zaten als opstandige tieners strak voor zich uit te kijken op de achterbank. Die hadden als dertienjarigen geen zin om te kamperen met vader en moeder in een tent, maar vader had er op gestaan dat ze meegingen.

Diederik had geschreeuwd en Boudewijn had met zijn voeten gestampt.

Vader had al hun argumenten weggelachen.

”Welnee, je hoeft echt niet in het bos te plassen en we hebben luchtbedden. Het wordt reuzeleuk.”

Het ergste voor de tweeling was nog wel het idee dat ze de natuur in moesten.

“Dat is nou juist de bedoeling,” had vader gezegd. “Even weg van de digitale snelweg. Weg van Twitter en Facebook en samen met de koeien, de koolmeesjes en de eekhoorntjes de natuur in.”

Maar Diederik en Boudewijn waren niet overtuigd en staarden somber over het kampeerterrein.

De staldeur ging open en er verscheen er een dikke, goedmoedige vrouw in een blauwe overall met een hooivork in de hand.

“Da’s de boerin,” fluisterde moeder.

“Dag mevrouw,” sprak vader beleefd. “Wij zijn de Reintjes. Lambert and Jannie Reintjes. Wij hebben gereserveerd.”

“Kom’t d’r in dan ku’j d’r oet kiek’n,” zei de boerin goedlachs.

Vader keek moeder hulpeloos aan.

“Wat voor taal spreken ze hier?”

“Dat is dialect, vader,” sprak Diederik.

De boerin scheen het wel te begrijpen, want ze zei: “Dat mek niks uut. Ik verstaan ook wel Nederlands. Zet die tent maar war je wil. Regel ’t mar met miene man. ”

Ze lachte breed, zwaaide met haar hooivork en vertrok weer naar de stal.

“Geweldig,” zei vader opgewekt. “Het echte boerenleven. Wij gaan de tent opzetten.”

Net toen ze begonnen waren kwam er een slungelige jongen aanlopen van dezelfde leeftijd als Diederik en Boudewijn. Hij grijnsde breed.

“Kom d’r in en do maor net alsof ie in oei eigen huus bunt.”

“Wat zegt die nou,” vroeg vader.

“Ik denk dat hij zegt dat wij met hem mee moeten gaan,” zei Diederik, die geen zin had om de tent op te zetten.

“Mee? Met die boerenknul?” Moeder was bezorgd.

“De deure is los” zei hij weer, terwijl hij zijn hand uitstak. “Krelis. Aj gin kop hebt, ku’j nig noar boet’n kiek’n,” en hij wees naar de boerderij.

“Ik geloof dat hij met ons wil spelen,” sprak Boudewijn.

“Cool.”

“Kunnen we met hem mee, vader?”

Vader zuchtte.

“Vooruit dan maar.”

Moeder had zo haar bedenkingen.

“Lambert, je kunt die tent toch niet alleen opzetten?”

“Kom, kom vrouwtje. Niet zo pessimistisch. We zitten in de buitenlucht op vakantie en kunnen genieten van het echte landleven. Hier is alles nog puur.”

Moeder snoof diep.

“Misschien heb je gelijk. Heerlijk hier.” Maar vader hoorde het niet door het geloei van de koeien.

 

***

 

Toen de jongens om half negen nog niet terug waren en het al donker werd, klopte vader ongerust op de deur van de boerderij.

De boer deed zelf open en lachte vriendelijk.

“Ah…Reintjes. Smiet oe dale.”

“Wat?”

“Gaa u mar zitte. Welkom,” hielp de boerin.

“Ik wil niet smietoedaale,” zei vader geërgerd. Ik zoek Diederik en Boudewijn.”

Juist op dat moment hoorde hij een paar harde knallen en werd er luid gejuicht.

“Je hebt hem te pakken. Goed man,” klonk de stem van Boudewijn.

“Ne`n eerste stiekerd is nen daalder weard.” Dat was Krelis.

“Ah de kinder,” zei de boer en hij wees naar een zijkamertje.

Vader opende de deur en kon zijn ogen niet geloven.

Diederik, Boudewijn en Krelis zaten voor een enorm scherm en hadden alle drie een joystick in hun hand. Ze werden omringd door het oorverdovende geluid van ontploffende bommen, harde rock muziek en keken naar woeste soldaten die elkaar in het Engels toeschreeuwden en afslachtten.

Diederik keek op.

“Krelis is helemaal te gek, vader. Hij heeft de beste game computer ever, en de nieuwste versie van Call of Duty.” Boudewijns wangen hadden een rode blos van opwinding.

“Hij praat wel raar,” beaamde Diederik, “maar die computer is helemaal te gek.”

“En,” viel Boudewijn hem in de rede, “morgen komen zijn vrienden uit het dorp. Ze hebben een soort game dag georganiseerd en wij mogen meedoen.”

Vader was even stil, maar sprak toen heel beslist: “Niks gamen. Morgen gaan we naar huis.”

“Wat?” zei de tweeling in koor. “En onze vakantie dan?”

“Die is voorbij,” antwoordde vader. “Morgenochtend breken jullie de tent af en om negen uur vertrekken we. En nu naar bed.”

Krelis keek verslagen en zei toen: “Nen heet gebaker`n mot oppassen dat hee biej`t miegen de vinger nich verbraand.”

“Wat bedoelde die Krelis daarmee?” vroeg vader later toen ze bij de tent waren aangekomen.

“Kweet niet, maar ik denk dat hij gelijk had,” zei Diederik boos terwijl hij achter vader en Boudewijn de tent inkroop.

 

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML-tags en -attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>